Als je niet weet wat een woord betekent
Woordenlijst 📖
Programmeurs gebruiken heel veel vreemde woorden. Hier worden ze in gewone taal uitgelegd.
- Internet
- Miljoenen computers over de hele wereld, verbonden met kabels en signalen. Dankzij het internet kunnen computers berichten, foto's en hele websites naar elkaar sturen.
- Website
- Een document dat in een browser kan worden getoond. Het bestaat uit tekst, afbeeldingen en links. Een site (zoals die van je school) is een groep pagina's die bij elkaar horen.
- Browser
- Het programma waarmee je op internet kijkt – zoals Chrome, Safari of Firefox. Hij leest HTML en CSS en tekent daar een pagina op het scherm van.
- Server
- Een computer die altijd aan staat en verbonden is met internet. Websites wonen op hem. Als je een adres in je browser typt, stuurt de server je de pagina.
- HTML
- De taal waarmee het skelet van een pagina wordt geschreven: wat een kop is, wat een alinea is, waar een afbeelding staat. De letters staan voor HyperText Markup Language, maar dat hoef je niet te onthouden.
- Tag
- Het bouwsteentje van HTML. Het ziet er zo uit: <p>hi</p>. De <p>-tag zegt „hier begint een alinea“ en </p> zegt „hier eindigt hij“.
- CSS
- De taal die een pagina haar uiterlijk geeft: kleuren, lettertypes, layout. HTML is het skelet, CSS is de outfit.
- JavaScript
- De taal waarmee je een pagina vertelt wat ze moet doen: reageren op klikken, punten tellen in een quiz, donkere modus aan- en uitzetten. Skelet, outfit – en dit is het gedrag.
- Editor
- Een programma om code te schrijven, zoals VS Code. Het is als Word, maar voor programmeurs: het kleurt code, geeft suggesties en vindt fouten.
- Bestand en map
- De code van een website woont in bestanden (zoals index.html), en bestanden wonen in mappen. Net als schriften in een rugzak.
- Variabele
- Een doos met een label die een programma gebruikt om dingen op te slaan: een getal, een naam, een score. Als het die nodig heeft, kijkt het erin op naam.
- Link
- Een (meestal blauwe) klikbare plek op een pagina die je ergens anders naartoe brengt. In HTML wordt hij gemaakt met een <a>-tag.
- Adres (URL)
- Wat je bovenaan in je browser typt, zoals www.voorbeeld.nl. Elke pagina ter wereld heeft er een eigen.
- React
- Een JavaScript-hulpmiddel om grote websites te bouwen uit herbruikbare stukjes – componenten. Gebruikt door Facebook, Netflix en Airbnb.
- Component
- Een stukje van een website dat je één keer schrijft en vaak gebruikt – zoals een menu, een knop of een spelerskaart. Als een Lego-steentje.
- Node.js
- Dankzij hem kan JavaScript ook buiten de browser draaien – bijvoorbeeld op een server. Je gebruikt hem in Level 3 om je eigen server te bouwen.
- Terminal
- Een zwart venster waar je opdrachten als tekst intypt. Het ziet eruit als uit een hackerfilm, maar het is gewoon een andere manier om de computer te vertellen wat hij moet doen.
- GitHub
- Een plek op internet waar programmeurs hun code bewaren en gratis een website kunnen publiceren (dat heet GitHub Pages).