Rekenen met Martin
Rekenen met Martin
Schoolrekenen, speels: niveaus per groep, 30 lessen per niveau, spellen en een werkblad. Helemaal gratis.
Elke les heeft uitgewerkte voorbeelden met stappen. Oefenen leeft op een eigen pagina Oefenen: je ziet alle vragen tegelijk, zoals op papier. Begin met tien en als het goed gaat, voeg 20, 50, 100 of 200 toe. Schrijf het antwoord — groen = goed, rood = nog niet, en ernaast zie je waarom. Er gaat niets naar een server.
In welke groep zit je?
Tik je groep. Je ziet waar je in de cursus hoort en wat je gaat oefenen.
Groep 3–4 Getallenkind getallen tot 100optellenaftrekkenklokkengeldvormen Begin hier Groep 5–6 Tafelkind tafelsdelencijferenafrondeneenhedenomtrek Begin hier Groep 7–8 Breukenkind kommagetallenbreukendeelbaarheidhoekenoppervlakteinhoud Begin hier Brugklas Procentenkind procentenverhoudingevenredigheidkruisproductdriehoeken Begin hier Klas 2 Vergelijkingenkind machtenPythagorasexpressiesvergelijkingencirkelscilinders Begin hier Klas 3 Probleemoplosser stelselsfunctiesgelijkvormigheidlichamengeldrekenentoelatingstoetsen Begin hier
Weet je niet waar je moet beginnen? Voorbereiding leert je slim oefenen. Daarna spring je naar je groep. Een niveau lager is geen schaamte — het is training. Your path
Click a level, or track where you are. Levels 1–2 are free.
Spiekbriefje
- Schat eerst, reken daarna. Als het resultaat niet bij de schatting past, zoek de fout.
- Keer en gedeeld komen voor plus en min. Haakjes winnen van alles.
- Een breuk is een deling: 3/4 = 3 ÷ 4. Een procent is een honderdste: 15% van 200 = 200 ÷ 100 × 15.
- Als je het niet weet, teken het: een getallenlijn, stapeltjes, een rechthoek, een driehoek.
- Lees een verhaal-som twee keer. Onderstreep de getallen en de vraag, dan rekenen.
- Check: zet het resultaat terug. Een vergelijking zonder check is half werk.
- Zet eenheden om via één: 1 m = 100 cm, 1 kg = 1000 g, 1 h = 60 min.
- 10 minuten per dag wint van 2 uur één keer per maand.
Woordenlijst
- Som, verschil, product, quotiënt — de resultaten van +, −, ×, ÷.
- Breuk — een deel van een geheel. Boven is de teller (hoeveel delen), onder is de noemer (in hoeveel delen het is gesplitst).
- Procent — een honderdste van het geheel. 100% is het geheel, 50% is de helft.
- Omtrek — het pad om een vorm. Oppervlakte — hoeveel er op een vlak past. Inhoud — hoeveel er in een lichaam past.
- Vergelijking — een weegschaal in evenwicht. Wat je aan de ene kant doet, doe je aan de andere.
- Gemiddelde — tel alles op en deel door hoeveel het er zijn. Mediaan — de middelste waarde van een gesorteerde lijst.
- Priem — een getal dat alleen deelbaar is door één en zichzelf.
- Pythagoras — in een rechthoekige driehoek a² + b² = c².
Zoek je code? Code met Martin is niet veranderd.